Archive for the 'tunes' Category

Bad 25

25 jaar geleden op de achterbank van een retecoole bmw 5 zat ik met mijn walkman, headphones en zo een gouden maxell cassetje. Bad van Michael Jackson te luisteren, er pakjes batterijen doordraaien, 11 jaar.
Gisterenavond, dankzij de vriendelijke mensen van Sony, zaten we weer in de auto, op weg naar UGC Antwerpen om naar Bad 25 te gaan kijken. De docu die Spike Lee gemaakt heeft voor de 25ste verjaardag van het album. Jaja het is MJ en jaja er is veel muziek gemaakt en jaja, jaja en jaja, maar draai het of keer het gelijk je wil, Bad is een hoogtepunt uit de popmuziek. Iedereen weet dat. Het hoogtepunt uit de samenwerking tussen Quincy Jones en Michael Jackson. Bad komt uit de tijd dat Martin Scorsese videoclips voor MJ maakte, de tijd dat 11jarige jongens zaten te wachten voor de tv om de videoclip voor het eerst te kunnen zien, de tijd dat popmuziek een métier was. De tijd dat MJ Another Part of Me maakte.

Spike Lee neemt je 2h mee doorheen het album en dwaalt af en toe eens af op een zijspoor. Maar 2h lang wordt elk nummer van het album en elk detail uit de videos besproken, hij interviewt mensen die erbij waren en fans (Kanye West, Questlove, ja zelfs Bieber). Hij brengt een zaal aan het lachen, huilen en applaudiseren. Beestige docu, en als ik correct geïnformeerd ben kan je die eind dit jaar op Canvas zien. Hou de Sony Legacy facebook page in de gaten voor de details. Een documentaire het album waardig.
Lees vooral ook eens The 25 Baddest Things From the Premiere of Spike Lee’s Michael Jackson Documentary.

Een afspeellijst

De voorbije maanden in elkaar gebokst, voor u, speciaal, een spotify playlist met freaky’s favorites. Urenlang luisterplezier, en ze blijft maar groeien. Komt dat zien en horen.

Patti Smith is back!

31807602_500x500_1

Op haar 65ste levert Patti Smith (Chicago, 1946) met ‘Banga’ alweer een beklijvend album af, ook beschikbaar in een zéér mooie DeLuxe editie, een echt  hebbeding voor fans van het eerste uur!

De opnames voor ‘Banga’ doorkruisten het schrijven van haar boek ‘Just Kids’ (uitgebracht in 2010), waarin Patti Smith vooral haar magische relatie en levenslange vriendschap met fotograaf Robert Mapplethorpe, (1946-1989) – zoals ze zelf zegt, ‘the artist of my life’ – beschrijft. Het boek is een verzameling van memoires aan de tijd in het Manhattan van de jaren 60 en ’70, en is een teder en liefdevol tijdsdocument van hun stormachtige relatie. Ze leefden een lange tijd samen in het Chelsea Hotel, waar toentertijd muzikanten, schrijvers, dichters, kunstenaars vaste stek hielden. Zowel Rimbaud en Genet, als Warhol, Dylan, Burroughs waren nooit ver weg.

The Godmother of Punk brak in 1975 door met haar debuutalbum Horses, een mijlpaal in de rockgeschiedenis. De sobere foto op de platenhoes, genomen door Mapplethorpe, is ondertussen een klassieker op het gebied van popfotografie. Het album was een mengeling van punkrock en gesproken poëzie en begint met een cover van Van Morrisons ‘Gloria’ en Smiths openingswoorden: “Jesus died for somebody’s sins, but not mine” In 1978 scoorde ze een wereldhit met het door Bruce Springsteen geschreven ‘Because The Night’, dat jaren later nog in diverse uitvoeringen de hitparades zou bereiken.

Voor ‘Banga’ putte la Smith uit heel verschillende, maatschappelijke én artistieke ervaringen. Literatuur blijft zoals steeds toch uitdrukkelijk aanwezig. Vooral thema’s als verlies en vernietiging komen aan bod: de dood van haar goede vriendin Maria Schneider, Franse actrice die ze in 1976 op tournee leerde kennen. Het schitterende gedicht ‘Maria’ roept haar beeld op in de film ‘The Passenger’ van Antonioni. Smith schrijft: ‘We saw ourselves, raw excitable, I knew you, when we were young, I knew you, now you are gone..’ 2008 was ook haar Bulgakov en Gogol jaar – ze bezocht hun graf in Moskou, alsook de studio’s van filmmaker Andrei Tarkovsky, wat resulteerde in songs als ‘April fool’, ‘Tarkovsky’ en ‘Banga’, de hond uit Bulgakov’s meesterwerk ‘Master and Margharita’. Het schitterende ‘Fuji-san’ schreef ze dan weer als een gebed voor het Japanse volk na de ramp met de tsunami.

 Haar kinderen Jackson (die in 2009 huwde met White Stripes drumster Meg White) en Jesse, uit haar huwelijk met Fred ‘Sonic’ Smith (Fred Smith stierf op 4 november 1994 – ze droeg ‘Dancing Barefoot’ en ‘Frederick’ aan hem op), zijn ook op het album te horen.

 Misschien bevat ‘Banga’ bravere nummers dan zijn voorgangers (het rauwe ‘Rock ’n Roll Nigger’ blijft mijn ijzersterke favoriet), maar zelfs met een meer conventionele aanpak als deze weet Patti Smith nog altijd te verrassen. Kortom: in huis halen, die handel!

Jam City – Classical Curves

This is a record about elegance, violence, electricity, water, marble, plants, trenchcoats, oily black jeep windows, crashed motorbikes, parks at twilight, clubs in the dark, broken DX7s and missed phone calls, written and recorded over a hot summer in a cramped flat with neighbours having sex through the walls.

“Classical Curves” comes from a teenhood spent obsessively listening to both Prince and Youngstar, a tumultuous period as a performance artist-cum-designer marketing ‘chrome body extensions’ to the fashion world, and a brief and bizarre spell as a corporate spy for a well known athletics brand. This is a record unique in its scope and vision, from a life that could only paint a world of romance and danger as vividly as this.

It’s a record that owes equal parts to Philly Club as it does to Laurie Anderson, The Neptunes as it does to Einsturzende Neubauten, Steve Poindexter as it does to the soft jazz leads of Pat Metheny. A record conceived out of (but not confined to) the legacy of the great rhythm trak muziks: Chicago House, Detroit Techno, Grime and Club. Classical Curves deconstructs, then reconfigures these blueprints as skeletal, emotionally charged pop songs. Or perhaps it’s the other way around: We are engulfed in booming, monolithic kick drums/We are floating on a pink cloud. We are thrashed and contorted by sheets of metal/We are suspended in breathy quiet of sighing voices and raindrops kissing the windowpane – and then it erupts again.

Classical Curves debuts its creators voice for the first time on record, taking on the roles of brazen alien catwalk commentator, crooning synth-pop pinup and whispering informant. And all the while the drums continue to snap, crunch, jerk and bump. There are also guitar synths, tape hiss, clouds of static, saxophones, lamenting fairlight choirs and slap bass. Listen carefully and you will hear a phone ringing (pick it up).

via

Bob & Barack


via

Hunting High and Low

At the Rock in Rio II festival in January 1991, A-ha shocked the international entertainment press by drawing an audience of 198,000 at Maracanã stadium for their top-billed evening concert—a Guinness World Record for paying audiences.

FREAKY … en dat nummer … dat is ook zo een raar nummer, en die paardestaart … ook zo overdreven … en die Morten die bijna niet boven het publiek geraakt … cultfilmke.

Colossal Youth – Young Marble Giants

Nog zo’n favoriet is Colossal Youth van Young Marble Giants, een poppareltje uit het gezegende jaar 1980. Deze originele en eigenzinnige band uit Cardiff in Wales, bestaat uit de hemelse lolita Alison Statton (zang) en de broertjes Stuart (gitaar, keyboards) en Phil (bas) Moxham. Inderdaad, ze spelen zonder drummer, die hebben ze simpelweg (toen op trendsettende wijze) vervangen door een drummachine. Het is maar een van de aspecten die hen tot een buitenbeentje maakt in de vroege Britse new wave scene, een hokje waar ze vaak in gestopt worden.

Maar ze zijn wat mij betreft zo véél meer. Ze zetten nagenoeg alle conventies van het genre op zijn kop, strippen zowel de opbouw van hun songs als de instrumentatie tot de absolute essentie. De pompende funky basslijnen, de krijsende orgeltjes, de hakketakkende hoekige gitaarriffs, de onvermoeibare clicks van de drummachine, de zwoele doch onderkoelde zanglijnen van Alison: ik krijg er nooit genoeg van!

Het sfeerrijke volle geluid van deze plaat is uniek. Dit is popminimalisme van de bovenste plank. Het is zonder twijfel één van de meest verslavende platen die ik ken.

Blasé – Archie Shepp

blasé

En dan nu, beste freaks, in onze gestaag groeiende reeks “persoonlijke favorieten uit de muziekgeschiedenis”, een streepje jazz! Maar niet zomaar wat getingeltangel, nee, maar wel een bluesy mokerslag van een plaat, namelijk ‘Blasé’ van Archie Shepp. Bij ons is er één regel: wanneer het bezoek niet naar huis wil, dan leg ik gewoon wat free jazz op. Zeer efficiënt! ‘Blasé’ verscheen in 1969 bij het fantastische Franse BYG Actuel label, dat gespecialiseerd is in… euh free jazz, maar toch kan ik jullie verzekeren dat je bezoek niet weg zal willen gaan, integendeel, je riskeert dat ze gewoon zullen willen blijven tot op het einde van de plaat! Opletten geblazen, dus… Dit is de titelsong:

Blasé werd in de Parijse Studios Davout opgenomen op 16 augustus 1969. In die periode waren er heel wat getalenteerde muzikanten en improvisators in de eeuwige lichtstad, waaronder Archie Shepp. Op dat moment was Shepp al één van de vaandeldragers van de jazz avant-garde. Hij was een stichtend lid van de invloedrijke New York Contemporary Five (onder andere met Don Cherry en Sunny Murray) en de grote John Coltrane nam hem onder zijn hoede. Zo speelde Shepp mee op Coltrane’s meesterwerk Ascension en loodste Trane hem binnen bij zijn eigen label, Impulse! (check bijvoorbeeld ‘Four for Trane’ of ‘Fire Music’).

Wat ‘Blasé’ zo speciaal maakt is het erg originele gebruik van de blues mondharmonica’s van Julio Finn en Chicago Beau, het ijle en sensuele gezang van persoonlijke favoriete Jeanne Lee, de drums van voormalige Miles Davis percussionist Philly Joe Jones (wat een kerel!), het gevleugelde pianospel van Dave Burrell. Het past allemaal zo mooi bij elkaar. Het eindresultaat is een onthutsende jazzplaat. Jazz zoals je het nog nooit hebt gehoordt, mysterieus en rauw, vol jive en voodoo. Ik ga er nu meteen voor de zoveelste keer naar luisteren…

Garry Higgins – Red Hash

Red Hash

In de reeks dierbare albums, vandaag een zeer grote favoriet uit mijn geboortejaar, 1973, de vergeten parel Red Hash van Garry Higgins, onder groot gejubel heruitgebracht in 2005 door het onvolprezen Drag City.

Red Hash was Higgins’ debuut, maar lang heeft hij daar niet van kunnen genieten, want kort nadat de plaat uitkwam in maart 1973 zat Higgins in de gevangenis. Higgins en zijn maten waren echte hippies die in een soort commune leefden op het platteland en hun dagen sleten met het roken van joints “thicker than a smokey”. Tot zover niets aan de hand, ware het niet dat president Nixon juist toen zijn “war on drugs” genadeloos liet losbarsten: samen met zijn manager Gary ‘Chico’ Cardillo werd Higgins opgepakt in oktober van 1973 tijdens een van de vele beruchte “pot busts”. Ze werden beiden veroordeeld tot lange gevangenisstraffen.

Higgins was van Sharon, Connecticut, maar in de jaren 60 was het in New York dat hij zijn eerste muzikale stappen zette, om te beginnen in de psychedelische groep ‘Random Concept’, nadien bij de avant-folkies van ‘Wooden Wheel’. Net voor Higgins voor jaren de nor inging, nam hij – gelukkig! – nog ‘Red Hash’ op en wel met de hulp van leden van zijn vorige bands: Jake Bell (gitaar, zang), Maureen Wells (cello, zang), Jerry Fenton (piano, orgel), Dave Beaujon (bass) en Paul Jerney (mandoline, fluit, zang). Naast gitaar en zang, nam Higgins ook de drumpartijen voor zijn rekening. De oplage van 1.000 exemplaren kende weinig of geen succes. Toen Higgins na 2 jaar vrijkwam, was iedereen de plaat al lang vergeten. Higgins speelde heel af en toe enkel nog in lokale cafés, stichtte een gezin, maar stak iedere ambitie naar een professionele carrière definitief in de ijskast.

Maar! In de jaren 90 bloeide er spontaan een groeiende en toegewijde aanhang rond de plaat, met David Tibet van Current 93 en Ben Chasny van Six Organs of Admittance op kop (Chasny coverde ‘Thicker than a smokey’ op zijn album ‘School of the flower’). Zach Cowie van het label Sub Pop/Drag City slaagde er uiteindelijk in Higgins te lokaliseren en zorgde in de zomer van 2005 voor een re-release van ‘Red Hash’. De plaat werd meteen door de internationale pers onthaald als vergeten meesterwerk.

Dit is een plaat om te beluisteren en te herbeluisteren, keer op keer, je zal ze nooit beu raken, geloof mij.

The Tree People

tree people

Ik ben van plan om hier af en toe een postje over een favoriet album te plaatsen (zie ook hieronder, ‘Cold nose‘ van Franco Falsini). Iedereen die me een beetje kent, weet dat ik in het diepste van mijn gedachten een folkie en een hippie ben. Binnen dat ruimer kader, beste freaks, wil ik jullie de geweldige plaat ‘The Tree People‘ uit 1979 aanraden. Singer-songwriter Stephen Cohen vormde onder die naam samen met percussionist en blokfluitspeler Jeff Stier en fluitist Rachel Laderman een trio begenadigde muzikanten. Na een jaar optredens en repetities kregen ze de kans een plaat op te nemen in een lokale studio midden in de bossen vlakbij Eugene, Oregon, met als extra “gast” de geweldige James Thornbury op slide-guitar, vocals en bass (Thornbury speelde later bij Canned Heat). In de erg korte tijdspanne van 1 weekend namen ze hun debuut op. Dat is snel, maar het zou lang genoeg blijken om muziekgeschiedenis te schrijven. Het album verscheen slechts op 1.000 exemplaren, en voor de re-release in 2006 bij Tiliqua Records (in Tokio gevestigd label, opgericht door de Antwerpse DJ Johan Wellens) en later bij het Spaanse label Guerssen, was het lang een van de meeste gezochte platen van collectors over de hele wereld. In 1984 verscheen er nog een tape, Human voices, heruitgegeven in 2009 eveneens bij Guerssen ook zeer de moeite waard, maar het kan niet tippen aan de magie van de legendarische opname in het bos. In 2010, ten slotte, verscheen nog “It’s my story”, hun allerlaatste plaat. Cohen heeft recent nog een nevenproject opgericht, zelf spreekt hij van een “offshoot”, The Walking Willows.

tree people 2

Maar The Tree People, dus, uit 1979. Dit is een zeer levendige, originele, warme plaat, die rijker en dieper wordt bij iedere luisterbeurt. Atonaal gefingerpick, ritmisch gestrum, zwevende fluitmelodieën, messcherpe oprispingen slide guitar, harmonieus samengezang, vrolijke deuntjes: het staat er allemaal op en het vormt samen een mooi, afgerond en uniek geheel. Freaky & folky! Check het uit…

Stephen Cohen houdt nog steeds een blog bij over zijn bomenvolk:”The Tree People chronicles“. En enkele fragmentjes kan je bij Honest Jons beluisteren door op de rode titels te klikken.