Author Archive for laurent
En dan nu, beste freaks, in onze gestaag groeiende reeks “persoonlijke favorieten uit de muziekgeschiedenis”, een streepje jazz! Maar niet zomaar wat getingeltangel, nee, maar wel een bluesy mokerslag van een plaat, namelijk ‘Blasé’ van Archie Shepp. Bij ons is er één regel: wanneer het bezoek niet naar huis wil, dan leg ik gewoon wat free jazz op. Zeer efficiënt! ‘Blasé’ verscheen in 1969 bij het fantastische Franse BYG Actuel label, dat gespecialiseerd is in… euh free jazz, maar toch kan ik jullie verzekeren dat je bezoek niet weg zal willen gaan, integendeel, je riskeert dat ze gewoon zullen willen blijven tot op het einde van de plaat! Opletten geblazen, dus… Dit is de titelsong:
Blasé werd in de Parijse Studios Davout opgenomen op 16 augustus 1969. In die periode waren er heel wat getalenteerde muzikanten en improvisators in de eeuwige lichtstad, waaronder Archie Shepp. Op dat moment was Shepp al één van de vaandeldragers van de jazz avant-garde. Hij was een stichtend lid van de invloedrijke New York Contemporary Five (onder andere met Don Cherry en Sunny Murray) en de grote John Coltrane nam hem onder zijn hoede. Zo speelde Shepp mee op Coltrane’s meesterwerk Ascension en loodste Trane hem binnen bij zijn eigen label, Impulse! (check bijvoorbeeld ‘Four for Trane’ of ‘Fire Music’).
Wat ‘Blasé’ zo speciaal maakt is het erg originele gebruik van de blues mondharmonica’s van Julio Finn en Chicago Beau, het ijle en sensuele gezang van persoonlijke favoriete Jeanne Lee, de drums van voormalige Miles Davis percussionist Philly Joe Jones (wat een kerel!), het gevleugelde pianospel van Dave Burrell. Het past allemaal zo mooi bij elkaar. Het eindresultaat is een onthutsende jazzplaat. Jazz zoals je het nog nooit hebt gehoordt, mysterieus en rauw, vol jive en voodoo. Ik ga er nu meteen voor de zoveelste keer naar luisteren…
In de reeks dierbare albums, vandaag een zeer grote favoriet uit mijn geboortejaar, 1973, de vergeten parel Red Hash van Garry Higgins, onder groot gejubel heruitgebracht in 2005 door het onvolprezen Drag City.
Red Hash was Higgins’ debuut, maar lang heeft hij daar niet van kunnen genieten, want kort nadat de plaat uitkwam in maart 1973 zat Higgins in de gevangenis. Higgins en zijn maten waren echte hippies die in een soort commune leefden op het platteland en hun dagen sleten met het roken van joints “thicker than a smokey”. Tot zover niets aan de hand, ware het niet dat president Nixon juist toen zijn “war on drugs” genadeloos liet losbarsten: samen met zijn manager Gary ‘Chico’ Cardillo werd Higgins opgepakt in oktober van 1973 tijdens een van de vele beruchte “pot busts”. Ze werden beiden veroordeeld tot lange gevangenisstraffen.
Higgins was van Sharon, Connecticut, maar in de jaren 60 was het in New York dat hij zijn eerste muzikale stappen zette, om te beginnen in de psychedelische groep ‘Random Concept’, nadien bij de avant-folkies van ‘Wooden Wheel’. Net voor Higgins voor jaren de nor inging, nam hij – gelukkig! – nog ‘Red Hash’ op en wel met de hulp van leden van zijn vorige bands: Jake Bell (gitaar, zang), Maureen Wells (cello, zang), Jerry Fenton (piano, orgel), Dave Beaujon (bass) en Paul Jerney (mandoline, fluit, zang). Naast gitaar en zang, nam Higgins ook de drumpartijen voor zijn rekening. De oplage van 1.000 exemplaren kende weinig of geen succes. Toen Higgins na 2 jaar vrijkwam, was iedereen de plaat al lang vergeten. Higgins speelde heel af en toe enkel nog in lokale cafés, stichtte een gezin, maar stak iedere ambitie naar een professionele carrière definitief in de ijskast.
Maar! In de jaren 90 bloeide er spontaan een groeiende en toegewijde aanhang rond de plaat, met David Tibet van Current 93 en Ben Chasny van Six Organs of Admittance op kop (Chasny coverde ‘Thicker than a smokey’ op zijn album ‘School of the flower’). Zach Cowie van het label Sub Pop/Drag City slaagde er uiteindelijk in Higgins te lokaliseren en zorgde in de zomer van 2005 voor een re-release van ‘Red Hash’. De plaat werd meteen door de internationale pers onthaald als vergeten meesterwerk.
Dit is een plaat om te beluisteren en te herbeluisteren, keer op keer, je zal ze nooit beu raken, geloof mij.
Ik ben van plan om hier af en toe een postje over een favoriet album te plaatsen (zie ook hieronder, ‘Cold nose‘ van Franco Falsini). Iedereen die me een beetje kent, weet dat ik in het diepste van mijn gedachten een folkie en een hippie ben. Binnen dat ruimer kader, beste freaks, wil ik jullie de geweldige plaat ‘The Tree People‘ uit 1979 aanraden. Singer-songwriter Stephen Cohen vormde onder die naam samen met percussionist en blokfluitspeler Jeff Stier en fluitist Rachel Laderman een trio begenadigde muzikanten. Na een jaar optredens en repetities kregen ze de kans een plaat op te nemen in een lokale studio midden in de bossen vlakbij Eugene, Oregon, met als extra “gast” de geweldige James Thornbury op slide-guitar, vocals en bass (Thornbury speelde later bij Canned Heat). In de erg korte tijdspanne van 1 weekend namen ze hun debuut op. Dat is snel, maar het zou lang genoeg blijken om muziekgeschiedenis te schrijven. Het album verscheen slechts op 1.000 exemplaren, en voor de re-release in 2006 bij Tiliqua Records (in Tokio gevestigd label, opgericht door de Antwerpse DJ Johan Wellens) en later bij het Spaanse label Guerssen, was het lang een van de meeste gezochte platen van collectors over de hele wereld. In 1984 verscheen er nog een tape, Human voices, heruitgegeven in 2009 eveneens bij Guerssen ook zeer de moeite waard, maar het kan niet tippen aan de magie van de legendarische opname in het bos. In 2010, ten slotte, verscheen nog “It’s my story”, hun allerlaatste plaat. Cohen heeft recent nog een nevenproject opgericht, zelf spreekt hij van een “offshoot”, The Walking Willows.
Maar The Tree People, dus, uit 1979. Dit is een zeer levendige, originele, warme plaat, die rijker en dieper wordt bij iedere luisterbeurt. Atonaal gefingerpick, ritmisch gestrum, zwevende fluitmelodieën, messcherpe oprispingen slide guitar, harmonieus samengezang, vrolijke deuntjes: het staat er allemaal op en het vormt samen een mooi, afgerond en uniek geheel. Freaky & folky! Check het uit…
Stephen Cohen houdt nog steeds een blog bij over zijn bomenvolk:”The Tree People chronicles“. En enkele fragmentjes kan je bij Honest Jons beluisteren door op de rode titels te klikken.
Per toeval ontdekt: muziek- en radiolegende John Peel zijn legendarische platencollectie staat online, alsook zijn alom bejubelde ‘Peel sessions‘! Zijn nazaten stellen zijn 25.000 LP’s, 40.000 singles en duizenden CD’s ter beschikking voor het grote publiek in een soort interactief online museum. Iedere week stelt The Space (organisator van het initiatief en een openbare dienst van de Arts Council England, die hier samenwerkt met Peels werkgever, de BBC) een artiest centraal.
Neem hier een virtuele tour doorheen zijn beruchte platencollectie. Uren luisterplezier, freaks!
Falsini had zijn technische kunde en zin voor experiment al ruimschoots bewezen ten tijde van Sensation’s Fix (check even ‘Fragments of light’ uit 1974, bijvoorbeeld), maar ook op ‘Cold nose’ weet hij helemaal op zijn eentje een uniek geluid te creëren. De drie stukken gaan van spacy krautrock tot psy-folk en zweverige ambient, gedragen door Falsini’s nu eens ingetogen dan weer turbulent gitaarspel, afgewisseld met de intense synthgolven van zijn EMS, Eminent 310 en Minimoog. Aan het einde van deze bijna veertig minuten durende caleidoscopische trip neemt hij verrassend de microfoon ter hand, om de luisteraar vervolgens zachtjes in slaap te zingen:
Eindelijk is er de langverwachte bundeling van de ‘bijna complete’ strips van Joost Swarte! ‘Bijna compleet’, want we krijgen een mooi overzicht van het ganse stripwerk, op wat vroeg werk na dat de selectie niet overleefde. Swartes honderden ontwerpen voor boeken en tijdschriften (onder andere voor Humo, The New Yorker en Raw, het toonaangevende blad van Art Spiegelman en diens vrouw Françoise Mouly), platen- en cd-hoezen, postzegels en zelfs meubels vallen hier dus buiten beschouwing. Joost Swarte is ongetwijfeld een van de meest veelzijdige en invloedrijke exponenten van de ‘klare lijn’: een term die Swarte trouwens zelf bedacht om de tekenstijl van Hergé en diens navolgers aan te duiden en die hij voor het eerst gebruikte in 1977 naar aanleiding van een Kuifje-tentoonstelling in Rotterdam. Die andere grootmeester van de klare lijn, Chris Ware, zorgt in deze verzameling voor een mooie inleiding, waarin hij – hoe kan het ook anders – zijn bewondering voor Swarte niet onder stoelen of banken steekt.
Het is bijzonder leuk om als fan alle dada’s van Joost Swarte voor het eerst samen te zien: architectuur (hij is een meester in perspectief!), industriële vormgeving (nooit geziene machines die niet werken, maar er prachtig uitzien), oude auto’s en vliegtuigen (de Junkers en Cadillacs vliegen je om de oren), de atoomstijl van de jaren ’50 (die decors!), letters en drukwerk, muziek (zie de grappige strip over Fats Domino) én knappe meiden. Voor een mooi verhaal moet je niet bij Swarte zijn: nee, zijn universum is er een van absurditeit, anticonformisme en ironie (de ultieme underground stripheld blijft wat mij betreft Jopo de Pojo!), maar dan wel piekfijn en adembenemend mooi verbeeld. Een absolute must, dit boek.
Baby’s in black is het boeiende relaas van de relatie tussen de Duitse fotografe Astrid Kirchherr en de beruchte ’5de Beatle’, Lennons jeugdvriend Stuart Sutcliffe. Zij leerden elkaar kennen in oktober 1960 toen The Beatles furore maakten met een reeks optredens in enkele duistere bierkelders van Hamburg. We maken kennis met de charmante Astrid Kirchherr net wanner ze haar mode-opleiding heeft afgerond en werkt bij fotograaf Reinhart Wolf. Haar relatie met Klaus Voormann, een jonge graficus, loopt mank en op een avond krijgen ze het aan de stok. Klaus zwerft alleen door de stad tot hij midden in de nacht enkele zeer aanstekelijke noten hoort weerklinken uit een louche kelder. Het zijn natuurlijk niemand minder dan The Beatles, toen nog vijf gewone jongens uit Engeland. Als Astrid de volgende avond met Klaus naar hun optreden gaat, valt ze meteen als een blok voor Stuart Sutcliffe, de bassist van de band, enkele jaren voor hun grote doorbraak. Kirchherr neemt Sutcliffe in huis en maakt enkele schitterende portretten van de jonge band. De rest van het verhaal is popgeschiedenis.
Bellstorf maakt er in milde grijstinten een erg ingetogen en sfeervolle ballade van, die nooit verveeld maar bij momenten iets te didactisch overkomt (zo blijft het mij een raadsel waarom Bellstorf zijn personages zo veel feitelijke informatie laat uiten in vaak onnatuurlijke dialogen, in plaats van bijvoorbeeld commentaarblokken of voetnoten te gebruiken). Ook de mengeling van Nederlands (dat eigenlijk Duits is!) en Engels is bij momenten stroef en bevordert allesbehalve de vlotte lectuur. Maar goed, een kniesoor die daarover valt. Dit mooie boek mag niet ontbreken op de boekenplank van iedere rechtgeaarde Beatlemaniac.














Recent Comments